Portret Lee Chang-dong

Met veruit de hoogste score bij de internationale critici in het vakblad 'Screen' was BURNING van de Zuid-Koreaan Lee Chang-dong een van de grote kanshebbers voor de Gouden Palm in Cannes. Zijn Murakamiverfilming timmert verder aan een oeuvre waarin de voormalige schrijver in film de zeggingskracht zoekt die hij in literatuur meent te missen.

Anders dan bij zijn vorige film, het met een Prijs voor Beste Scenario bekroonde Poetry (2010), zat een juryprijs in de hoofdcompetitie van Cannes er niet in voor Chang-dong, maar hij maakte zijn favorietenrol bij de critici nog wel waar door de FIPRESCI-prijs in de wacht te slepen. De FIPRESCI-jury van internationale filmjournalisten vond burning “een visueel verbluffende film en een emotioneel complex commentaar op de hedendaagse samenleving”. Het samenspel van die twee, een verfijnd realisme en film als drager van sociaal-economische analyses, loopt als een rode draad door Chang-dongs oeuvre. Het ligt zelfs aan de basis van zijn beslissing om films te gaan maken, nadat hij eerst succes kende als schrijver en theatermaker.

Burning

Filmische vertelkracht

Chang-dong (°1954) is een vaandeldrager van de generatie filmmakers die de Zuid-Koreaanse cinema in de jaren 90 en 2000 internationaal op de kaart zette, ook al is hij ouder dan vakgenoten Park Chan-wook, Bong Joon-ho, Kim Ki-duk en Hong Sang-soo. Zijn artistieke loopbaan begon hij immers als theatermaker en romanschrijver, alvorens hij filmscenario's schreef voor Park Kwang-su, een van de minder bekende filmers die vanaf eind jaren 80 het pad effenden voor de grote namen van de Nieuwe Koreaanse Cinema. In 1997 maakte Chang-dong zijn regiedebuut Green Fish, bijna gelijktijdig met de eerste films van Kim Ki-duk en Hong Sang-soo. De overstap van schrijven naar filmen verklaarde Chang-dong door de toegenomen impact van het bewegende beeld in de populaire cultuur. Als auteur ervaarde hij een almaar toenemende afstand met de sociale en politieke omgeving waarover hij zijn publiek wilde aanspreken. En dat terwijl hij de persoonlijke en culturele consequenties van het zogenaamde Aziatische economische mirakel, in het cruciale jaar 1997 gevolgd door een zware financiële crisis, tegen het licht wilde houden. "We leven in een tijdperk waarin betekenis niet meer vaststaat", zei Chang-dong in 2007 tegen de Zuid-Koreaanse filmcriticus Kim Young-jin in een aan hem gewijd boek. "Of we het nu graag hebben of niet, film is het dominante medium geworden. Andere media die bezig zijn met betekenis zijn verzwakt, verslechterd en hebben hun zeggingskracht bij de mensen verloren. Misschien is het omdat ik uit de literaire wereld kom, of omdat ik zo ben opgegroeid, maar ik ben geneigd mijn films vol betekenis te stoppen. Ik probeer zo veel mogelijk betekenis te creëren en via mijn films met het publiek te communiceren."

Niet dat hij daarom voor themafilms kiest. Zijn sociaal-economische kritiek zit vervat in een genuanceerde karaktertekening van wat naïeve, vaak geplaagde personages. Zo maakte hij in debuut Green Fish gebruik van het populaire misdaadgenre om de tegenstellingen te schetsen tussen het uiteengevallen gezin van het hoofdpersonage, een jongeman die net zijn militaire dienst heeft afgerond, en de pseudofamilie van gangsters waarin hij terechtkomt. Anders dan generatiegenoten als Park Chan-wook of Kim Ki-duk blijft Chang-dong doorgaans weg van opvallend surrealisme of ostentatieve stilistische bravoure. Toch kiest hij ervoor om, zeker in zijn vroege films, zijn realistische cinema te kruiden met stilistische metaforen die eerder verbonden zijn aan genrefilms. Zo doet het overhead- of goddelijk perspectief in Green Fish denken aan grote misdaadfilmers van de Amerikaanse cinema als Martin Scorsese. En Peppermint Candy (1999) structureert Chang-dong in een opvallende omgekeerde chronologie: de film begint bij een gebroken man die zelfmoord pleegt en vertelt via momenten uit zijn leven over de pijnlijke recente geschiedenis van een slechts moeizaam gedemocratiseerd Zuid-Korea, tot de bloedig neergeslagen volksopstand in Gwangju in 1980.

Terwijl Zuid-Korea zijn dictatoriale staatsbestel heeft ingeruild voor een kapitalistische democratie, duikt Chang-dong dus in het nog niet verwerkte verleden met films waarmee hij op een mainstreampubliek mikt. Omgaan met trauma vormt ook de (allegorische) kern van zijn volgende film, Oasis (2002), over een liefdesrelatie tussen een vrouw met hersenverlamming en een mentaal gehandicapte jongeman die net is vrijgekomen uit de gevangenis. Ditmaal wordt de realistische stijl aangevuld met fantasiescènes waarin de verlamming van de vrouw onbestaande is. En opnieuw benadrukt de regisseur-scenarist tegenover criticus Kim Young-jin dat cinema hem toelaat op een andere manier dan literatuur een connectie te maken met zijn publiek: “Kijkers voelen zich niet op hun gemak omdat [de verlamde vrouw] er lelijk uitziet. Met woorden is dat moeilijk over te brengen. Op papier kunnen kijkers sympathie voelen voor haar, maar als ze geconfronteerd worden met een beeld van haar, ervaren ze ongemak. Pas dan kan het publiek haar innerlijke schoonheid vinden en haar als mens aanvaarden.” Keer op keer probeert Chang-dong mensen net iets anders naar de wereld te doen kijken nadat ze de filmzaal hebben verlaten.

Oasis

Crisissen bezweren

Chang-dong reflecteert niet alleen via zijn films over de stand van zijn land, maar laat ook elders in het publieke forum van zich horen. Nadat hij zijn steun had uitgesproken voor de hervormingsgezinde presidentskandidaat Roh Moo-hyun, duidde die hem in 2003 na zijn verkiezingsoverwinning aan als minister van Cultuur en Toerisme. Een van Chang-dongs opvallende besluiten was het terugschroeven van de decennia eerder onder de dictatuur ingevoerde quota voor Zuid-Koreaanse films (de verplichte vertoningstijd ging van 146 naar 73 dagen). Hij was dan wel altijd een voorstander van die quota geweest, als minister moest hij rekening houden met een vernieuwd handelsakkoord met de Verenigde Staten. Bovendien zag hij Zuid-Koreaanse blockbusters de box office aanvoeren, met in 2003 bijvoorbeeld Bong Joon-ho's Memories Of Murder, en tot wel 40% van het marktaandeel halen. De nationale en internationale voorspoed van de Zuid-Koreaanse film spreekt tot de verbeelding, maar is zeker geen succesverhaal van A tot Z. Begin 2017 belandde Cho Yoon-sun, een van de opvolgers van Chang-dong als minister van Cultuur, nog in de gevangenis, omdat ze een zwarte lijst had opgesteld met duizenden kunstenaars (onder wie Park Chan-wook en Chang-dong) die kritisch waren voor (nu ex-)president Park Geun-hye en ‘dus’ ontstoken zouden moeten blijven van overheidssteun. Verder is er al enkele jaren heibel over onder meer politieke inmenging bij het festival van Busan, een van de grootste in Azië, en kende de filmindustrie in Zuid-Korea een golf seksuele schandalen (met onder anderen Kim Ki-duk). Ook op de Zuid-Koreaanse films zelf is, volgens Chang-dong, een en ander aan te merken. In Cannes verklaarde hij onlangs: “Ik twijfel of er een jeugdige gevoeligheid of fighting spirit is die wegen wil inslaan die anderen niet nemen, in een poging om tot de essentie van het medium film te komen. Als je steeds films krijgt die commercieel succesvol zijn, is het moeilijk de noodzaak te voelen om uitdagingen te blijven aangaan.”

Zelf zegt Chang-dong zich voor elke film af te vragen wat cinema precies is en kan doen. In 2004 stopte hij als minister en ging hij zich weer toeleggen op films maken. Meer dan zijn vorige werk portretteren Secret Sunshine (2007) en Poetry (2010) vrouwelijke personages, met opvallend genoeg toch literatuur als startpunt en drijvende kracht. Het donkere melodrama Secret Sunshine, een verfilming van Lee Cheong-juns verhaal The Story of a Bug, tekent hoe een weduwe/moeder omgaat met (opnieuw) traumatiserende ervaringen. Poetry is dan wel geen literatuuradaptatie, maar focust in de fijne observatie van een dementerende vrouw die lessen poëzie volgt wel op taalvermogen en dichtkunst. Ook in Poetry speelt een verschrikkelijk vergrijp een centrale rol, waarbij eenvoud en naïviteit in conflict komen met pijn en diepe wonden. De allegorie is bij deze laatste films niet zo duidelijk politiek-sociaal ingevuld als voordien, maar steeds weer beleven Chang-dongs personages pijnlijke tragedies waarin een persoonlijke en maatschappelijke problematiek zit verweven. Hun crisis is de crisis van Zuid-Korea.

Geschreven door BJORN GABRIELS

Portret Lee Chang-dong

Regisseur: 

Media: 

onomatopee